Hoe kinderen omgaan met rouw
Riet Fiddelaers-Jaspers geeft in haar boek ‘Jong verlies’ een beschrijving van hoe kinderen met de dood omgaan volgens de leeftijdsfase waarin het kind zich bevindt
Kinderen tot drie jaar
Bij kinderen tot drie jaar ontbreekt het besef van de dood. In hun belevingswereld is er geen onderscheid tussen levende en niet-levende dingen. Ze zijn wel heel erg gevoelig voor sfeer en emoties. Ze voelen wat verlies is en lijden daar ook onder. Dat geldt ook voor de emotionele afwezigheid van een rouwende moeder die de verzorging (tijdelijk) op automatische piloot zet. Ze reageren vanuit hun primaire behoeften.
Ze voelen een scheiding met de persoon die hen voorziet in warmte, liefde, geborgenheid zeker aan.
Kinderen die op deze zeer jonge leeftijd een ouder verliezen, hebben vaak als volwassene geen woorden om hun verdriet uit te drukken. Het kan wel vaak tot uitdrukking gebracht worden via geluiden of gebaren.
Kinderen van drie tot zes jaar
Bij deze kinderen is er al een besef van wat het verschil is tussen leven en dood. Er is echter nog geen begrip van het definitieve karakter van de dood. Kinderen denken vaak dat de overleden ouder ergens met vakantie is. Ze vragen dan ook herhaaldelijk wanneer papa of mama terugkomt. Voor hen is de dood iets tijdelijks, een soort slaap waarbij de dode niet kan zien of niet meer kan bewegen. Ze denken dat leven en dood elkaar afwisselen zoals slapen en wakker worden.
Dit is een leeftijd waarop kinderen erg veel praktische vragen stellen: hoe, wat, waarom … .
In deze leeftijdsfase is het kunnen uiten van gevoelens en daarover praten nog niet zo goed ontwikkeld.
Langzamerhand komt het besef dat de dood iets definitiefs is.
Dat papa of mama niet meer wakker zal worden.
Het magische denken is typerend voor deze leeftijdsgroep. Dit denken vertrekt vanuit een eigengerichtheid en bestaat uit een oorzaak - gevolg redenering. De dood van een ouder wordt dan ook vaak gekoppeld aan iets wat men gedaan of nagelaten heeft. Dit vertaalt zich in het ontstaan van schuldgevoelens en kan leiden tot een aanpassing van het gedrag van het kind. Men kan zich zo slecht gaan gedragen zodat de ouder zal moeten terugkomen om het kind te redden. Of juist zo braaf dat niemand het nog verlaat.
Kinderen van zes tot negen jaar
In deze leeftijdsfase is er een besef dat de dood onomkeerbaar, definitief is.
Maar wat definitief juist wil betekenen, is nog onduidelijk. Het maakt de kinderen uit deze leeftijdsgroep angstig en onzeker. Ze komen tot het besef dat ook andere mensen van wie ze houden kunnen doodgaan. Hoe ze er mee moeten omgaan, weten ze nog niet, ontkenning is dan vaak het eerste verdedigingsmechanisme.
Kinderen van negen tot twaalf jaar
In deze leeftijdscategorie weten kinderen dat alles wat leeft ook dood kan gaan.
Deze kinderen zijn al minder afhankelijk van volwassenen. Daardoor hebben ze de neiging minder aandacht te vragen voor hun verdriet. Ze willen hun verdriet zelf kunnen verwerken.
Anders dreigen ze ‘kinderachtig’ over te komen. Deze kinderen trekken vaak een pantser op tegen het verdriet. De emoties worden diep weggestoken.
Kinderen van twaalf jaar en ouder
In de tienerleeftijd dringt de onvermijdelijkheid en de universaliteit van de dood tot hen door.
Tieners proberen de dood emotioneel nog op afstand te houden: het kan iedereen overkomen behalve in mijn omgeving. Als ze dan toch getroffen worden door een dergelijk groot verdriet komt dit bijzonder hard aan. De confrontatie met de dood maakt dat de vragen en soms ook de verwarring van de jongere rondom leven en dood toenemen.

Er werden nog geen reacties geplaats, wees de eerste en reageer op dit bericht